Sandra van Es

Vlammende verzinsels

Kinderen van de rivier

De strakke huiden rond de uit hout gesneden trommels geven een doffe klank en het geluid klopt met toenemende intensiteit door de zachte avondlucht. Terwijl het lied van de stamouders aanhoudt, wordt de schemering door de vlammen van het grote dodenvuur uitgedaagd.

Yurek veegt langs zijn ogen en tuurt naar de overkant van de rivier en dan stroomopwaarts. Dit is zijn geboorteplek. Hier, aan de rand van het stromende water, schonk zijn moeder hem het leven en op het moment dat hij krijsend zijn eerste hap lucht nam, blies zij haar laatste adem uit. Tot op de dag van vandaag heeft zijn vader het hem de dood van zijn eerste vrouw niet vergeven. Yurek dankt zijn leven aan zijn grootmoeder, Mekda, de moeder van zijn moeder. Zonder haar was zijn korte leven onherroepelijk geëindigd in de stroming van de rivier.

Hij groeide op in een kleine hut van steen, gras en leem. Dichtbij de rivier en op afstand van zijn verbitterde vader, het stamhoofd van de Gotara, en daarmee ook op afstand van de rest van het dorp. Mekda bracht hem groot met warme geitenmelk en toen hij eenmaal tanden kreeg, met kleine stukjes gedroogd fruit en vlees. Ze leerde hem hoe hij voor zichzelf moest zorgen en tegen de tijd dat hij zijn tiende zomer bereikte, kon hij al jagen als geen ander.

‘Je bent de enige zoon, zijn oudste kind én de zoon van de zieneres. Het is jouw geboorterecht en ooit zul je hem moeten trotseren.’

Yurek recht zijn schouders en luistert naar de klanken van het water. Het is de stem van Vurdah, het godenkind dat werd gestolen uit het godenrijk. Niemand weet wie haar heeft ontvoert, maar de rivier is ontstaan uit haar tranen en door haar eenzaamheid, wordt het water wild en vreet het aan het land.

Achtentwintig zomers leeft hij nu in zijn kleine hut dichtbij het water en op afstand van het dorp. Door de jaren werd zijn lichaam sterk en krachtig en Mekda voedde zijn hoofd met de vastberadenheid op een dag zijn plek in de stam op te eisen. Dat moment lijkt nu dichterbij dan ooit.

Hij vond zijn grootmoeder op het platgelopen pad tussen de rivier en het dorp. Haar borst ging zwak op en neer en haar eens zo krachtige lichaam lag slap en weerloos in zijn armen. Yurek bracht haar naar het dorp. Het was de eerste keer dat hij over de verboden grens stapte, de eerste keer dat hij zijn vader recht in de ogen keek.

Ze namen zijn grootmoeder van hem af en joegen hem weg met stenen en stukken hout, terug naar de rivier waar hij nu met brandend ogen in de stroming staart.

Vurdah is boos. Yurek kent haar. Al sinds zijn geboorte voelt hij haar onvoorspelbare nukken en haar kinderlijke verlangen naar gezelschap. Ze is zelden boos op hem. Wanneer hij zich in haar baadt voelt hij enkel haar gretige nieuwsgierigheid. Ze wordt pas boos als hij weer op de kant kruipt. Het water van de rivier beukt dan tegen de steile wanden en grote stukken steen vallen naar beneden. Ze neemt het land en soms ook het leven van een onvoorzichtig kind of een jonge man die vol bravoure indruk probeert te maken op de geslachtsrijpe meisjes uit het dorp, maar ze blijft boos en eenzaam.

Haar verlangen nestelt zich al jaren in zijn borst. Bovenop zijn eigen verlangen, want ook Yurek is eenzaam en nu hij weet dat Mekda spoedig zal sterven, is er niets dat hem nog tegen houdt zijn geboorterecht op te eisen en dat kan maar op één manier.

Hij ontdoet zich van de zachte doeken rond zijn lichaam en laat zich voorzichtig in het kille water zakken. In gedachten roept hij haar naam.

‘Na deze nacht zal niets nog hetzelfde zijn. Nog voor alle sterren helder aan de hemel staan, zal ik het nieuwe stamhoofd zijn, maar ik zal jou nooit vergeten. Dankzij jou ben ik wie ik ben. Veel meer dan alleen de zoon van het stamhoofd.’

Het water wordt zachter en minder kil. De rivier spoelt zijn huid schoon met kleine, maar stevige likjes langs zijn gevoeligste plekjes. Zijn oksels, de binnenkant van zijn polsen en dijen en uiteindelijk hoog tussen zijn benen, waar het water hem met zinderende schokjes doet groeien. Vurdah weet precies waar ze hem moet raken en ze maakt hem hard en sterk zodat hij zich opgewassen voelt tegen de taak die al sinds zijn geboorte op hem wacht. Zuigend sluit het water zich rond zijn geslacht en Yurek laat met haperende ademstoten de lucht uit zijn borst ontsnappen als het melkachtige levenssap naar buiten komt en zich met Vurdah vermengt. Als altijd hoort hij haar heldere lach en blijft het water voor een kort moment stil om hem heen liggen.

Weer terug op het land wacht hij tot zijn lichaam volledig is opgedroogd. Hij controleert de pijlen in zijn houten koker, voelt de spanning van zijn boog en staat op. Vuurvliegjes dansen in de paarse schemering en de eerste sterren twinkelen vrolijk in de heldere lucht. Vanuit het dorp komt het nu jammerende gezang van de ouders zijn kant op waaien en Yurek weet dat het is gedaan. Vannacht zal zijn grootmoeder worden bijgezet in de grote grafheuvel aan de andere kant van het dorp. Morgenochtend zal zijn vader de krijgers opdracht geven hem te doden, zodat niets hem nog zal herinneren aan de plotselinge dood van zijn eerste vrouw.

Geruisloos beweegt hij zich langs de grenzen van het dorp. Op handen en voeten kruipt hij door het gras tussen de nu verlaten hutten tot aan de achterkant van de offertafel. Mekda heeft hem alles verteld over de gebruiken en rituelen en hij weet dat de dodendans wordt uitgevoerd door vrouwen die nog niet zo lang bloeien. Ze hebben hun eerste eenzame dagen in de reinigingshutten gehad, maar nog geen nacht doorgebracht met een van de jongemannen uit het dorp. Ze zijn nog puur en alleen zij mogen de poort van de grafheuvel openen om het lichaam van de dode naar de voorouders te brengen.

Yurek ziet zijn grootmoeder. Ze ligt op haar rug op de platte steen. Haar handen zijn samengevouwen op haar borst en rond haar hoofd ligt een krans van kleurige bloemen. Nooit eerder heeft hij van zo dichtbij een ceremonie meegemaakt en met ingehouden adem kijkt hij naar de langzame dans rond het stille lichaam op het altaar. Hij zag eerder naakte vrouwen, meestal stiekem en van een afstand, maar nooit eerder zag hij deze verleidelijke bewegingen en deinende rondingen en voor het eerst vraagt hij zich af of Vurdah op de jonge vrouwen uit het dorp lijkt. De gedachte veroorzaakt een steigering onder zijn lendendoek, precies zoals Vurdah in het water bij hem doet en hij klemt zijn hand stevig rond het handvat van zijn boog.

Wanneer de dans ten einde is en de laatste, doffe trommelslagen in de nacht verdwijnen, verschijnt de priesteres bij het altaar. In haar linkerhand heeft ze een kom van aardewerk en terwijl het jammerende gezang van de stam aanzwelt, smeert ze het lichaam van Mekda in met leem, klei en water. Het mengsel zal langzaam opdrogen tot het breekt en van de huid loslaat, maar dat gebeurt pas als het lichaam is bijgezet in de grote grafheuvel. Dan zal haar levenskracht zich voegen bij de andere voorouders en zal ze waken over het dorp en haar inwoners.

Geruisloos kruipt Yurek nog dichterbij en op het moment dat hij zijn vader ziet, komt hij met een luide kreet tevoorschijn uit zijn schuilplaats. Het stamhoofd richt met een schreeuw zijn arm op om zijn krijgers een bevel te geven. Zijn bewegingen verstarren voor hij de kans krijgt het gebaar af te maken. Met open mond staart hij naar de zoon die hij al vanaf zijn geboorte vervloekt en dan langzaam naar het glanzende stuk hout dat zich diep in zijn borst heeft begraven. Hij zakt door zijn knieën en valt dan met een zucht voorover in het okerkleurige zand.

Heel even is het of de lucht zwaarder wordt, alsof Yurek buiten zijn hoofd denkt. Hij ziet zichzelf en hij ziet het dansende water van de rivier. Al het andere verdwijnt. Vurdah juicht en ze spoort hem aan het karwei af te maken en zijn positie zeker te stellen. Het geluid van haar stem wordt ruw onderbroken door een hel gekrijs. Het is de tweede vrouw van zijn vader. Ze rent naar Yurek en laat zich aan zijn voeten vallen. Hij kijkt op haar neer, ongevoelig voor haar smeken en haalt zijn vuurstenen mes uit de riem rond zijn heupen. Kalm gaan zijn ogen langs de dorpelingen. Hij kijkt naar de priesteres, naar de krijgers van zijn vader en naar de jonge vrouwen rond het altaar. Hij is de zoon van zijn vader en zijn vader is dood. Het stamhoofd is dood.

Yurek gooit zijn hoofd in zijn nek, slaat op zijn borst en brult zijn triomf door de avondlucht. Hij grijpt de vrouw aan zijn voeten bij de haren, trekt haar van de grond en zet het mes tegen haar hals. Met een vloeiende beweging snijdt hij haar de keel door. Het is het lot van de vrouw van het stamhoofd. Wanneer haar man sterft, zal zijn hem volgen, tot ver na de dood. En haar dood zorgt dat de stam Yurek zal accepteren als het nieuwe stamhoofd. Hij heeft de lessen van zijn grootmoeder goed onthouden.

De inwijding van het nieuwe stamhoofd duurt van zonsopgang tot zonsondergang en ongeduldig laat Yurek de rituelen van de ceremonie langs zich heen gaan. Hij ontvangt de zegenwensen van de priesteres en de stamouders en als de hitte van de dag eindelijk plaatsmaakt voor de koele schemering, wordt hij naar de grote hut in het midden van het dorp gedragen. Daar wachten de danseressen die hem eerder die dag nog zo wisten te bekoren. Voor het eerst in zijn leven ondervindt hij waarom vrouwen zo wezenlijk verschillen van mannen. Hij geeft zich over aan de nieuwsgierige, sierlijke handen van de jonge vrouwen en laat zijn uiteindelijke keus vallen op het jonge meisje met een merkwaardige vlam in haar ogen en tepels als rijpe frambozen. Hij plukt haar bloem en op het moment dat hij zijn zaad in haar schoot plant, klinkt het helder gezang van de stamouders. Het stamhoofd heeft zijn eerste vrouw gekozen.

In zijn droom krijgt hij bezoek van Vurdah en toont ze haar ware gedaante. Ze is mooier dan de vrouwen van het dorp. Haar huid is bleek, als het licht van de maan en haar donkere haar valt als een waterval over haar schouders. Ze buigt zich over hem heen en blaast zacht in zijn gezicht. Ze ruikt naar de rivier en de zachte modder op de bodem. Haar ogen zijn als het helderste water en haar glimlach is warm en liefdevol. Ze legt haar handen op zijn borst en fluistert zachte woorden in zijn oor.

‘Ik ben je eerste vrouw Yurek. Je kwam tot leven aan de oever van mijn tranen en ik heb gewacht tot je sterk genoeg zou zijn. Jouw lot ligt niet in de voetsporen van jouw vader, maar bij mij. Kom me halen en breng me naar jouw stam. Mijn verhaal zal tot in de lengte van de dagen bezongen worden door ons nageslacht.’

Yurek wordt wakker met de echo van haar stem nog in zijn hoofd en maakt zich los van het warme lichaam naast hem. Buiten de hut staart hij naar de inktzwarte lucht en hij herinnert zich de woorden van Mekda.

‘Op een maanloze nacht werd zij gestolen uit het godenrijk en het was zo donker dat haar ouders haar niet terug konden vinden en Vurdah de weg naar huis niet zou herkennen …’

Ook deze nacht is maanloos en Yurek beseft dat het een teken is. Vurdah kwam bij hem in zijn slaap om hem te wekken, zodat hij zou weten dat de tijd gekomen is. Zijn grootmoeder had het mis. Zijn geboorterecht ligt niet aan het hoofd van de stam. Vanaf het moment dat hij het levenslicht zag, is zijn plek bij Vurdah geweest. Zijn geboorterecht ligt bij haar en nergens anders.

Hij laat het dorp achter zich en volgt de rivier naar haar oorsprong. Hij verwacht een zware tocht, ook omdat zijn pad niet wordt bijgelicht door het heldere licht van de maan, maar het is alsof hij zweeft, zo licht is zijn tred. Nu hij verder van het dorp afraakt en de rivier voor het eerste in haar volle glorie ziet, ontdekt hij ook hoe groot de kracht van haar stroming is. Grote stukken steen brokkelen naar beneden wanneer het water met geweld tegen de wanden beukt. In de diepe spleten en spelonken wortelen zich dappere planten, maar niets is bestand tegen de tranen van Vurdah. Het water kolkt, neemt het land en verandert op sommige plekken in een modderstroom, die diepe groeven in het harde steen achterlaten. Het verhaal van Vurdah is al zo oud, dat niemand meer weet wanneer ze precies uit het godenrijk is verdwenen, maar haar sporen zijn overal te zien en de kleurschakeringen in de wanden van de rivier, vertellen Yurek over haar grillige buien en wispelturige natuur. Ze heeft hem gevonden toen hij het warme lichaam van zijn moeder verliet en ze heeft zich over hem ontfermt. Zij is zijn eerste vrouw en ze is zijn enige vrouw. Er zal nooit meer een ander kunnen zijn.

Eindelijk komt hij aan bij een grote, krachtige waterval en met zijn hoofd in zijn nek kijkt hij omhoog vanwaar het water met een enorm geraas naar beneden valt. Vurdah is daarboven en ze wacht op hem. Het is de enige reden waarom ze uit het godenrijk werd geroofd. Yurek en Vurdah. Kinderen van de rivier.

Hij begint te klimmen en het is of ze hem leidt. Als vanzelf vinden zijn voeten smalle richels om zich omhoog te duwen. Waar hij zijn hand ook zet, het gesteente breekt open zodat hij houvast heeft. Vurdah verlangt ook naar hem. Hij voelt het, zoals hij het altijd heeft gevoeld, maar alleen nu pas zeker weet.

Wanneer hij eindelijk boven is en haar ziet, badend in een poel van helder water, weet hij voor een kort moment niet wat hij moet doen. Haar schoonheid is zo licht, dat het pijn doet aan zijn ogen en dat hij bang is er iets van te verstoren. Ze glimlacht door haar tranen heen en wenkt hem.
Hij aarzelt, maar ook nu stuurt ze zijn bewegingen. Het water om haar heen is zacht en warm en hij herkent het gevoel op zijn huid. Het is de druk van haar vingers, haar lichte ademhaling en de zucht van haar verleidelijke glimlach. Het is wat ze hem al zo vaak heeft laten voelen als hij in haar baadde en zijn lichaam herkent de herinnering. Zijn ogen zien en zijn handen voelen. Er zijn geen gedachten meer. Hij vergeet de stam en het jonge meisje in zijn hut. Hij vergeet zelfs zijn naam. Het is niet meer van belang. Hij werd geboren in de zachte armen van de rivier en heeft eindelijk zijn doel volbracht. Het licht in zijn ogen leeft enkel nog voor haar. Zij is niet zijn vrouw. Hij is haar man.

Vurdah pakt zijn handen en trekt hem naar zich toe. Hij vindt haar lippen en proeft haar. Het is de smaak van het zachte, gedroogde fruit dat zijn grootmoeder hem ooit gaf. Ze ontneemt hem de adem en hij verdrinkt in haar lichte ogen. Hij voelt het water van de rivier, zacht en warm, met stevige likjes langs zijn meest gevoelige plekjes. Het zijn haar handen, haar lippen en haar genotvolle zuchten. Ze maakt hem hard en sterk en doet hem met zinderende schokjes groeien als ze in hem klimt en zich over zijn harde geslacht laat zakken. Haar bewegingen zijn deinend en kolkend. Ze is de vrouw in de rivier en de rivier in de vrouw. Yurek hijgt, zijn ademhaling ligt hoog in zijn borst en hij voelt het ritmische trekken van haar vochtige warmte. Iedere stoot maakt haar glimlach breder en als zijn levenssap loskomt en zich wortelt in haar vruchtbare grond drogen ook haar laatste tranen op.
Ze zucht diep en legt haar hoofd op zijn schouders. Het water in de poel draait wild in het rond en langzaam begint het te dalen. Verbaasd registreert Yurek de stilte die om hem heen valt. Het donderende geraas van de waterval is verdwenen en terwijl hij Vurdah stevig vasthoudt, schuift hij dichter naar de rand van het plateau. Onder zijn ogen onttrekt zich een waar schouwspel. De rivier droogt op. Het laatste water stroomt met geweld door de uitgesleten rivier en neemt alles wat zich in de brede spelonken heeft proberen te nestelen, mee. De wanden komen vrij te liggen en wat overblijft is een brede, zeer diepe kloof die als een openliggende ader door het landschap klieft. De opkomende zon schijnt zijn warme licht op het gesteente en toont kleurschakeringen van het lichtste roze tot het diepste roze. Yurek houdt zijn adem in. De rivier is verdwenen, de tranen van Vurdah zijn opgedroogd. Ze zal nooit meer eenzaam zijn.


2 reacties

  1. Heb dit mooie erotische sprookje met plezier gelezen.

  2. Een prachtig verhaal. Je weet keer op keer een wereld in je verhalen neer te zetten die boeit en aan alle kanten klopt. Ik heb genoten!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*

© 2018 Sandra van Es

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

%d bloggers liken dit: